Merel Bem

Steek je hand erin en je vindt houvast – Over Barbara Hepworth

Essay
9 juni 2021

De alledaagse handeling van het bedenken wat je aandoet en het aankleden zelf werd door kunstenaar Ad de Jong eens omschreven als ‘de performance van het dagelijks leven’. Wie je bent, draag je uit. Wat je draagt, wil iets zeggen. Beeldend kunstenaars vinden inspiratie in die dagelijks terugkerende handelingen, de particuliere keuzemomenten en de persoonlijke betekenis die kleeft aan kledingstukken en textiel. Hun werk is een beweging naar het publiek toe.
In het werk van Hanne Hagenaars (schrijver en tentoonstellingsmaker) en Merel Bem (schrijver en kunsthistoricus) zijn de alledaagse beleving van beeldende kunst en de rol van kleding bij het vormen van identiteit onderwerpen die steeds terugkeren. Daarom schrijven ze voor Mister Motley tweemaandelijks over de relatie tussen kleding en kunst.
Vandaag een tekst van Merel Bem over zakken en het gat van Barbara Hepworth.


 

Portret Hanne Hagenaars en Merel Bem in overall, door Jan Hoek, 2021

Twee zwart-wit foto’s.

Op de ene een kleine, abstracte sculptuur met zachte uitstulpsels en afgeronde hoeken. Het is jammer dat je niet kunt zien dat het beeld van roze albast is. Het ging verloren tijdens de Tweede Wereldoorlog; deze foto uit 1932 is het enige wat ervan overbleef. Ik stel me voor: poederig roze, zoals rozenkwarts. En dan in het midden, als bij een bagel, dat gapend ronde gat. Een korte tunnel, dwars door de sculptuur heen, secuur gehakt en gebeiteld en geschuurd. Zo kon je er niet alleen doorheen kijken naar wat zich daarachter bevond (in het geval van deze foto: een donkere muur, idealiter natuurlijk een landschap, het liefst de zee), maar werd het gat, het weggewerkte materiaal, evengoed onderdeel van het geheel als de vaste vorm daaromheen. De schaduw aan de binnenkant van de tunnel is net zo belangrijk voor het beeld als de gepolijste hoeken aan de buitenkant, die het licht opvangen.


Barbara Hepworth, Pierced Form, 1932 © Bowness

De andere foto is uit 1958. Er staat een vrouw op met een opvallend gezicht: voorhoofd als van een Grieks marmeren beeld, goeie kin, scherpe neus – en dat alles net zo wit als de krijtrotsen langs de Engelse kust. Ze draagt een lange jas en daaronder een overall met een rits. Op de voorgrond een sculptuur die lijkt op een ingewikkeld snaarinstrument: een gebogen vorm van messing, als de omhoog gevouwen vleugels van een zeemeeuw, bijeengehouden door talloze strakgespannen touwtjes. Het beeld oogt licht, klaar om op te stijgen. Wat ruim 25 jaar eerder begon als een stuk albast met een gat erin, groeide uit tot deze opengewerkte vorm die in dit geval bestaat uit geaccentueerde leegte met een laagje messing eromheen. Het is nu de binnenkant die bepaalt hoe de buitenkant eruitziet. De vrouw heeft haar linkerhand diep in de zak van haar overall gestoken.


Barbara Hepworth, 1958

Soms is de kleding die je draagt een weerspiegeling van fascinaties. In het geval van Barbara Hepworth (1903-1975): de binnenruimte, die in haar werk een belangrijke plek inneemt. Op het moment dat zij, de vrouw met het gebeeldhouwde gezicht, de klein uitgevallen grande dame van de Britse modernistische beeldhouwkunst, haar roze sculptuur doorboorde, ontdekte ze waar die binnenruimte toe in staat is. De rest van haar oeuvre zou in het teken staan van uitgeholde leegte en van abstracte sculpturen die zowel van buiten als van binnen een specifieke vorm hadden. Ze zocht eindeloos naar ‘nieuwe associaties tussen vorm en holte en ruimte’. Om te benadrukken dat de binnenruimten van haar beelden niet inhoudsloos waren maar juist betekenisvol, als het geheimzinnige interieur van een slakkenhuis, schilderde ze de holtes dikwijls contrasterend wit of spande ze er touwtjes tussen.

‘Ik wilde vormen maken die bovenop een heuvel stonden en waardoor je naar de zee kon kijken,’ schreef ze in 1970 in A Pictorial Autobiography. ‘Zou ik erdoorheen kunnen klimmen, en in welke richting dan? Zou ik kunnen rusten, liggen of staan in de vormen? Zou ik me, op hetzelfde moment, zowel buiten als binnenin de vorm kunnen bevinden?’ De binnenruimte als doorgang naar een andere wereld, als verstopplek, als vrijplaats.

Hoewel Hepworth zich op officiële momenten ravissant kleedde – denk opzichtige bontjassen en grote sieraden – voelde ze zich het meest thuis in haar alledaagse werkkleding, die naadloos aansloot bij haar werk. In de tuin van haar studio in St. Ives in Cornwall, het uiterste zuidwesten van Groot-Brittannië, liep ze rond in overalls en werkersjasjes, dromend van ‘grote kunstwerken en de vrijheid om te doen wat ik wil’.

Video of Barbara Hepworth – Figures in a Landscape (1953) – extract

In de korte documentaire Barbara Hepworth: Figures in a Landscape uit 1953 (er staat een fragment op YouTube) zie je haar werken. Tegen een achtergrond van blauwe lucht, nog blauwere zee en een tropisch aandoende tuin met palmbomen en rode rozen staat de kunstenaar te hakken en te beitelen. Ze draagt een wijde broek in dezelfde kleur als de rozen en overhemden in hemelsblauw of roestbruin, rond haar middel aangesnoerd met een riem, de mouwen stoer omgeslagen tot boven de ellenbogen. Alles klopt: de kleuren, de verhoudingen, het donkere, geboetseerde haar – ze lijkt een tot leven gekomen Grieks beeld. Ze past in haar omgeving gelijk haar ronde, als door wind en regen uitgesleten sculpturen.


Stills Youtube, Barbara Hepworth: Figures in a Landscape

 

In 1975 stierf Hepworth als gevolg van een brand in haar atelier. Een paar jaar later stelde Tate Gallery de gerestaureerde studio open voor publiek. In de tuin staan haar beelden en aan een withouten deur hangt haar werkkleding, alsof ze die net heeft uitgetrokken. Het is een prachtig ensemble van spijkerbroeken, werkersjassen en overhemden in zeeblauw, licht koraal, grijs en kaki, bespat met witte verf- en gipsvlekken. De Britse modeontwerper Margaret Howell ontwierp in 2015 een bescheiden collectie die was geïnspireerd op deze kleren. Tijdens het grote Hepworth-retrospectief dat Tate Britain destijds organiseerde, kon je in de museumwinkel een kaki duffeljas met houtje-touwtje-knopen kopen, evenals verschillende soorten oversized overhemden van stevig katoen, een tuinbroek, een schort en zijden sjaaltjes voor op het hoofd.

Hoe deze stijl te omschrijven? ‘Utilitarian chic’ las ik ergens, en dat dekt de lading wel. Haar werkkleding was overdacht nonchalant: ingetogen en no-nonsense en tegelijkertijd verfijnd en elegant. En het belangrijkste: er zaten zakken in.

Zakken zijn magisch, dat weet elke kleuter. Je kunt er de hele wereld in bewaren en niemand die het ziet. Er gaat bijna niets boven het geluksgevoel wanneer je ontdekt dat je nieuwe winterjas is uitgerust met een onverwachte binnenzak: alsof je huis ineens een extra kamer blijkt te hebben. In het tijdschrift The Gentlewoman (de lente-editie van 2021) verklaart Susan Irvine haar liefde aan een lange jas van Helmut Lang, die niet één maar twee binnenzakken heeft. ‘Wanneer zakken je ding zijn, is dit alsof al je bussen tegelijkertijd arriveren,’ schrijft ze. ‘Ik kan alles en meer in deze zakken kwijt – portemonnee, telefoon, sleutel, foto, vulpen, chocolaatje voor noodgevallen – en ik kan onbekommerd en zo vrij als een vogel over straat slenteren.’

Het zijn vooral vrouwen die artikelen en zelfs boeken wijden aan dit onderwerp. Dat komt doordat vrouwen er wat zakken betreft al decennialang bekaaid vanaf komen. Er bestaat een Amerikaanse cartoon uit 1959, waarin een meisje door haar moeder in een nieuwe jurk is gehesen en verontwaardigd zegt: ‘Hij mag dan wel mooi zijn – maar hoe kan ik mijn kikker en mijn wormen meenemen in een jurk zonder zakken?’

 

Dat is nog altijd een probleem. Vrouwenzakken zijn óf afwezig óf veel te klein óf een illusie: een stukje stof dat doet alsof, de trompe-l’oeil onder de zakken. Dat is meer dan een ontwerpfout. In de Middeleeuwen hadden vrouwen nog net zoveel beschikking over draagbare opbergruimte als mannen. Iedereen droegen riemen met buidels eraan, een soort uniseks fanny packs. Maar waar in de loop van de 17de eeuw mannenkleding steeds vaker werd voorzien van geïntegreerde zakken, daar bleef deze ontwikkeling in vrouwenkleding grotendeels uit. Vrouwen bleven losse buidels dragen, verstopt tussen de plooien van hun rokken. Waar moesten die heen, toen de jurken in de eeuwen daarna steeds nauwer op het lichaam gingen aansluiten? Nergens natuurlijk; interne zakken zouden die natuurlijke vormen van vrouwen alleen maar teniet doen. Voor het meedragen van hun waardevolle spullen bleven vrouwen dus afhankelijk van een tas. En dat was wellicht een andere reden dat vrouwen geen zakken kregen: zonder de mogelijkheid om hun kostbaarheden in de holte van een (binnen)zak met zich mee te dragen, bleven ze afhankelijk van mannen. Een tas die aan een arm bungelt, is snel gestolen. Daardoor waren vrouwen kwetsbaar en minder vrij om in hun eentje, zonder de bescherming van een man, over straat te gaan.

‘Op geen enkel moment wil ik in conflict zijn met welke man of welke mannelijke gedachte dan ook,’ schreef Barbara Hepworth. ‘Het komt niet eens in me op. Kunst is anoniem, ze wedijvert niet met mannen.’ Waarschijnlijk sloeg deze uitspraak op de eeuwige vergelijking met haar en vriend en rivaal Henry Moore, die werd opgeleid aan dezelfde academie en vergelijkbaar abstract werk maakte. Ook hij begon gaten te boren in zijn sculpturen en de negatieve binnenruimte te verkennen, en hoewel zij hem daarin was voorgegaan, kreeg hij daarvoor de kunsthistorische erkenning. Hij werd gezien als de vertegenwoordiger van de Britse modernistische beeldhouwkunst (monumentaal, viriel, zelfverzekerd), zij dikwijls als zijn leerling, met kleiner en bescheidener werken. Het moet haar gefrustreerd hebben, maar ze liet het niet merken. Daarbij was ze wars van elke vrouwelijke, laat staan feministische, duiding van haar werk.

Toch boorde ze met het benadrukken van die binnenruimte iets aan wat je best in dat licht zou kunnen bekijken. Net als een broekzak kan de binnenruimte een bergplaats zijn voor dingen die een vrouw in de ogen van een man onvoorspelbaar en riskant maken. In het artikel The Politics of Pockets schrijft Chelsea G. Summers dat een vrouw die met de handen in haar zakken over straat liep aan het begin van de 20ste eeuw niet alleen werd gezien als competitie voor mannen – en daarom veel te vrij en onbescheiden – maar ook als gevaarlijk. Want wat zat er in die zakken, ‘iets geheims, iets persoonlijks, iets dodelijks’?

Zelfs leeg is een zak zoveel beter dan een tas. De zak is de poort naar de vrijheid, de tunnel naar geluk. Het is de plek die, net als een kamer voor jezelf, ruimte geeft aan de verbeelding. Steek je hand erin en je vindt houvast, zelfverzekerdheid, autoriteit. Letterlijk. Zoals de binnenruimte van Hepworths beelden vorm geeft aan de buitenkant ervan, zo bepaalt een zak in de kleding van een vrouw hoe ze staat, hoe ze loopt, hoe ze gezien wordt.


Kauthar Bouchallikht, afgelopen april

 

Afgelopen april ontstond ophef over de broek waarin Groen Links-kamerlid Kauthar Bouchallikht in de Tweede Kamer was verschenen: een wijde, grijze pantalon, die volgens velen teveel op een joggingbroek leek en daarmee ongepast was voor haar functie. Maar kijkend naar de foto die zoveel losmaakte op sociale media, durf ik te wedden dat het vooral de houding van Bouchallikht was die mensen (veelal mannen) in het verkeerde keelgat schoot. Daar staat ze: wijdbeens, handen in de broekzakken, kruis vooruit –een onverzettelijk blok graniet.

Steek je hand in je zak en het vormt je. Boor een tunnel door een stuk steen en de holte doet mee. De sculpturen van Barbara Hepworth zijn een ode aan de potentie van de binnenruimte. Ze zijn stoer en intiem tegelijk, ze bieden ontsnappingsmogelijkheden, verstopplekken en vergezichten. Niet voor niets droeg de kunstenaar het liefst dagelijks haar werkkleding. Niet voor niets stopte ze voor de foto uit 1958 zo gedecideerd haar hand in de zak van haar overall. Als geen ander wist ze wat de binnenruimte inhoudt.

Advertenties

Ook adverteren op mistermotley.nl ? Stuur dan een mail naar advertenties@mistermotley.nl

Schrijf je in voor de nieuwsbrief

* verplicht

Meer Mister Motley?

Draag bij aan onze toekomstige verhalen en laat ons hedendaags kunst van haar sokkel stoten

Nu niet, maar wellicht later